
Onder caliber verstaat men in relatie tot geweermunitie algemeen een maatindicatie betreffende de buitendiameter van projectielen. Vaak wordt echter ook het patroon- of munitietype als caliber aangeduid.
Als voorbeeld: Bij het caliber 7 x 64 heeft het projectiel een diameter van ongeveer 7 mm, de lengte van de patroonhuls (zonder projectiel) bedraagt 64 mm.
Het aantal verschillende geweercalibers loopt in de honderden, waarbij de meeste wapenfabrikanten zich beperken tot een selectie van ongeveer twintig calibers.
Maar ook binnen deze selectie verschillen de meningen onder jagers: vraagt men bij verschillende ervaren jagers naar hun mening over calibers, dan is het zeer waarschijnlijk dat je van iedereen iets anders hoort – wat in twijfel alleen maar tot meer verwarring kan leiden.
In principe staan bij de keuze van het caliber twee factoren tegenover elkaar:
Hoe groter en krachtiger het patroon, hoe zekerder het beschoten stuk wild direct bij de knal valt, dus ter plekke blijft liggen nadat het dodelijk is geraakt. Zo bespaar je het wild onnodig lijden – en jezelf een moeizame nabezoek. Aan de andere kant wordt, hoe groter het caliber is, door het schot meer van het wildbiefstuk of de huid van het wild beschadigd, wat pleit voor de keuze van een zo klein mogelijk caliber.
Verder brengt grotere, zwaarder geladen munitie meer terugslag en mondingsvuur met zich mee, wat voor de schutter onaangenaam kan zijn en de precisie bij het schot kan beïnvloeden – in afwachting van de sterke terugslag en het luide schotknal hebben veel schutters bij grote calibers de neiging om te “mucken” – dus bij het afvuren van het schot samen te trekken en daarmee het geweer te “verreißen”.
Bij de keuze van het caliber gaat het dus in principe om het vinden van de juiste balans tussen effect en behoud.
Daarnaast speelt ook de prijs een niet te onderschatten rol. Grotere, krachtigere calibers kosten niet altijd meer, het zijn eerder speciale, zeldzame calibers die moeilijk en duur in aanschaf zijn.
De belangrijkste factor bij de beslissing is op welk wildsoort wordt gejaagd. Bij een edelhert is bijvoorbeeld veel meer “doordringingskracht” nodig dan bij een vos.
Een te groot caliber kan bij klein wild zelfs nadelig zijn, als het projectiel zonder zijn werking te ontplooien weer uit het wildlichaam treedt. Om het te verduidelijken: wordt licht wild, zoals een ree op korte afstand met een groot caliber beschoten, kan het voorkomen dat het projectiel het wildlichaam doorboort zonder te splijten of uit te zetten. Het effect zou daarmee zijn als bij een full metal jacket-kogel – niet voldoende.
Hierna worden de meest gangbare geweercalibers beschreven en op welk wildsoort daarmee gejaagd kan worden.
Voor jonge jagers worden daarbij zo universeel mogelijk inzetbare calibers aanbevolen.
De groep van de kleinste jachtmatig gebruikte kalibers is die welke begint met de Angelsaksische aanduiding “.22”: De kaliber .22 lfB, .22 Winchester Magnum en .22 Hornet hebben slechts een kogeldiameter van 5,6 mm en zijn in Duitsland alleen toegestaan voor de jacht op roofwild. In tegenstelling tot grotere kalibers, die ook voor roofwild zijn toegestaan, veroorzaakt deze kalibergroep weinig schade aan de huid, waardoor deze veelzijdig kan worden gebruikt. In vergelijking met ander hoefwild gelden voor reeën lagere grenswaarden wat betreft de diameter van het projectiel en de inslagenergie van de kogel op het wildlichaam. Hierdoor is munitie vanaf .222 Remington (5,6 x 43 mm) toegestaan voor reeën, maar zoals eerder vermeld niet voor andere hoefwildsoorten. Het verschil met de “.22”-categorie ligt in de sterkere drijflading, wat visueel te zien is aan de langere huls.
In dit verband is ook de term "kleinkaliber" gebruikelijk. Historisch viel geweermunitie met een kogeldiameter onder 7 mm in deze categorie, tegenwoordig ligt de bovengrens voor kleinkaliber bij 5,6 mm kogeldiameter. Het meest gangbare kleinkaliber is .22
Voor alle hoefwildsoorten die groter zijn dan reeën is in Duitsland munitie toegestaan waarbij het projectiel een diameter van minimaal 6,5 mm heeft en de inslagenergie op honderd meter minimaal 2.000 Joule bedraagt.
Dat klinkt erg technisch, de meest gangbare kalibers die aan deze eisen voldoen zijn de Angelsaksische .270 Winchester (7 × 64,5 mm), .308 Winchester (7,62 x 51 mm), .30-06 Springfield (7,62 x 63 mm), .300 Winchester Magnum (7,62 x67 mm) en de Duitse 6,5 x 57, 7 x 64, 7 x 65 R, 8 x 57 IS, 8 x 68 S en 9,3 x 74 R.
Vanaf een kogeldiameter van 9,53 mm (0.375 inch) spreekt men van een grootkaliber. Vaak wordt onder jagers echter ook het veelgebruikte kaliber .300 Winchester Magnum tot de grootkalibers gerekend, hoewel het door de kleinere kogeldiameter eigenlijk niet aan de vereiste voldoet.
Alle kalibers hebben in detail verschillende ballistische eigenschappen, zoals bijvoorbeeld de kromming van de vluchtbaan, de snelheid van het projectiel of de inslagenergie in het doel. Als vuistregel geldt echter: hoe langer de huls, hoe gestrekter de vluchtbaan, wat het richten op grote afstand vergemakkelijkt. Aan de andere kant neemt de terugslag toe en mogelijk ook het mondingsvuur bij het schot.
Tot slot is het belangrijk te weten dat verschillende munitie van hetzelfde kaliber zich verschillend kan gedragen, afhankelijk van de lading – ondanks hetzelfde kaliber kunnen de samenstelling van de kogels of de ontstekingsladingen verschillen, waardoor de ballistische eigenschappen verschillen.
Een overzicht van de belangrijkste globale gegevens:
V0 = projectielsnelheid aan de monding
E0 = energie aan de monding
| Kaliber: | Metische maat: | V0: | E0: | Toepassingsgebied: |
| .22 Win | 5,7 x 27 mm | 500–670 m/s | 410–440 J | Vallenjacht |
| .22 Hornet | 5,7 x 35 mm | 612–930 m/s | 640–1160 J | Kleinwild (tot das), ganzen |
| .222 Remington | 5,6 x 43 mm | 900–1100 m/s | 1300–1700 J | tot reewild |
| .270 Win | 7 × 64,5 mm | 933–957 m/s | 3840 J | Bergjacht, herten, zwijn, elandjacht |
| 7 x 57 | 7 × 57 mm | 720 m/s | 2900 J | universeel |
| 7 x 64 | 7 x 64 mm | 779–969 m/s | 3200–4154 J | universeel |
| 7 x 65 R | 7 x 65 R | 820–920 m/s | 2200–3700 J | universeel - de 7 x 64 voor breekbare wapens, door de rand is de patroon iets groter maar de kruitlading iets kleiner |
| .308 Win | 7,62 x 51 mm | 785 m/s | 3500 J | universeel |
| .30-06 Spr | 7,62 x 63 mm | 820–900 m/s | 3200–4126 J | universeel |
| 8 x 57 IS | 7,92 × 57 mm | 750–900 m/s | 3600–4100 J | universeel |
| 8 x 68 S | 8 x 68 mm | 870–990 m/s | 5200–5570 J | sterk groot wild, bergjacht |
| 9,3 x 74 R | 9,3 x 74 mm | 662–853 m/s | 3400–5045 J | sterk groot wild, bergjacht, GEE boven 200 m |
| .300 Win Mag | 7,62 × 67 mm | ca. 910 m/s | 5000 J | sterk groot wild, bergjacht |
De in Duitsland meest gebruikte schietkalibers zijn 12, 16 en 20, waarbij de grootste barrel diameter de laagste nummer heeft.
De reden hiervoor is dat de omrekening een nogal eigenaardige berekening volgt:
Voor de vaststelling van het Schietkaliber 12 werden 12 gelijke kogels uit een Engels pond lood gevormd. De diameter van een van deze identieke kogels is de diameter van kaliber 12. Overeenkomstig hiermee ontstaat kaliber 16 wanneer uit een Engels pond lood 16 gelijke kogels worden gevormd. De diameter van een van 16 kogels is lager dan die van 12 kogels, daarom is de barrel diameter ook lager.
Het schietkaliber 20 werd overeenkomstig deze berekening vastgesteld.
Voor een volledige kaliberaanduiding hoort ook de vermelding van de case lengte van een afgevuurde cartridge in dit kaliber. Uit shotguns kunnen echter ook cartridges worden afgevuurd die korter zijn dan de kamer van de cartridge zou toelaten, wat een negatieve invloed op de schietprestatie kan hebben.
Bij cartridges wordt naast het kaliber en de lengte van een afgevuurde cartridge ook de diameter van de individuele schietkorrels aangegeven, waarbij uit dezelfde shotgun verschillende sterktes schietkorrels kunnen worden afgevuurd.
Spannende, interessante en informatieve verhalen over het onderwerp vind je ook bij onze premiumpartner, het jachtmagazine Jagdzeit., bijvoorbeeld in het overzicht van alle artikelen over het onderwerp caliber.